Mijn kerstverhaal – De stokoude koningin

Helemaal bovenin het paleis, op een klein kamertje, met daarnaast een nog kleiner badkamertje, woonde de stokoude koningin. Hoe oud ze was wist ze zelf niet meer, maar het was al heel lang geleden dat ze met tiara’s getooid en in bontmantels gehuld linten doorknipte, schepen te water liet en tunnels opende. Soms zag ze op de televisie zichzelf nog wel eens voorbij komen in oude zwart-witbeelden. Ze had geen heimwee naar die tijden, want zo leuk was het ook niet geweest om altijd vreemde mensen om je heen te hebben, maar haar leventje was nu toch wel erg eentonig geworden.

De oude meneer Jonker zorgde goed van haar en freule Van Boetzelaer deed haar uiterste best om haar in en uit bed te helpen, haar in bad te doen en te helpen bij alle lichamelijke ongemakken die een hoge leeftijd nu eenmaal me zich meebrengt. Verder was er nog de oude dokter Vreugendhil die ze van tijd tot tijd zag, maar dat was het dan ook wel.

Ze kwam nooit meer beneden. Haar benen wilden niet meer. Haar kinderen, klein- en achterkleinkinderen kwamen nooit boven. Ze betwijfelde sterk of ze nog wel van haar bestaan afwisten.

De dagen waren eentonig. Het eten kwam via een kleine dienstliftje naar boven en meneer Jonker zette alles keurig klaar op het tafeltje bij haar bed. Ze at alleen nog maar kleine muizenhapjes. Ze dronk thee en soms een glaasje sherry, maar de sherry die ze de laatste tijd kreeg smaakte niet meer zo als die van vroeger. Ze keek veel uit het raam en zag dan de bomen in het park verkleuren met de seizoenen en ze dacht terug aan wat zich allemaal onder die bomen had afgespeeld, lang geleden. Aan witte automobielen en parasols. Ze las over de familie in de roddelbaden die mevrouw Van Boetzelaer voor haar meenam. Ze zag de grote hoeden, de brede monden, ze las over schandalen die ze herkende en haalde voor zover dat nog ging, haar schouders op. Ze was niet gek, al dachten velen van wel, ze was alleen maar moe, gewoon doodmoe. Ze had het allemaal al meegemaakt en wilde alleen nog maar rust en weinig praten. Ze dommelde het liefst wat weg bij zachte pianomuziek en vrolijke jazzdeuntjes die ze nog kende uit de tijd dat ze in Canada woonde, lang gelezen, o gelukkige tijd in dat verre Canada, een tijd zonder plichtplegingen, alleen, zonder die man en die moeder, heerlijk alleen met haar kinderen, maar dat  had ze nooit mogen zeggen.

Ze had ook nog een oude poes die eigenlijk van mevrouw Jonker was, maar vanwege een geveinsde allergie kon ze die niet meer in huis hebben en zo was het oude beest op de zolderetage in het paleis beland. Ze had vroeger altijd honden gehad, poezen vond ze maar eigenwijs. Deze egaal grijze poes, luisterend naar de belachelijke naam Cora, was zeker eigenwijs, maar ook erg aanhankelijk en gesteld op de oude vorstin. Ze zat graag op schoot, gaf kleine likjes op haar pols en sliep op haar voeteneinde. Deze aanhoudende blijken van liefde ontroerden de oude koningin, zodat ze zich gewonnen gaf en zeer gesteld raakte op de oude Cora van wie niemand wist hoe oud ze eigenlijk was.

Cora wekte de oude koningin altijd ’s morgen om negen uur door hard te spinnen vlak bij haar oor. En of ze wilde of niet, ze moest haar ogen open doen en de kat zachtjes toespreken, anders werd het dier onrustig en begon het nog harder te spinnen en te trappelen zodat ze toch niet meer kon slapen. Dat ging zo al vele jaren en de stokoude vorstin was dan ook hoogst verbaasd toen ze op een kille decemberochtend pas om elf uur wakker werd. Er stond een koud geworden kopje thee op het tafeltje bij het bed en een sneetje roggebrood met basterdsuiker, want daar hield ze zo van en ze had nog altijd haar eigen tanden. Geen Cora deze ochtend. Ze pakte het zilveren belletje en rinkelde luid. Freule van Boetzelaer die zat te lezen in de stoel bij het raam keek op. “Majesteit?” “De poes”, roep de vorstin, “de poes, waar is Cora?” Mevrouw Van Boetzelaer wist van niets. Ze keek in de badkamer en onder het bed, maar de poes was nergens te vinden. “Ontsnapt, denk ik mevrouw, of even een luchtje scheppen. Die komt zo weer terug. Maakt u zich maar geen zorgen.”

Maar dat deed ze nou juist wel. Ze dacht aan al die trappen, aan al die gangen waar de poes zou kunnen dwalen. Aan die vergeten vertrekken, aan deuren die al in geen jaren meer waren open gegaan. Ze wilde uit bed. Ze wilde, nee eiste, dat ze werd aangekleed. Ze wilde de poes gaan zoeken.

Helemaal beneden was de familie bij elkaar gekomen om op kerstavond samen te zijn. Ruzies waren bijgelegd, vetes vergeten en oude geliefden die elkaar in geen jaren hadden gezien zaten weer broederlijk naast elkaar. De achterkleinkinderen gingen door de gangen op hun rollerskates en er klonk stemmige muziek uit de oude stereoset van Pappie. De Oudste Dochter zat aan het hoofd van de tafel te keuvelen met haar nichtje. De Tweede Dochter las voor uit haar pas verschenen boek aan ieder die het wilde horen, over dartele dolfijnen, wijze bomen en de magie van de natuur, niemand luisterde; toch ze las rustig door. In de hoek van de kamer gaf de mooie Argentijnse borstvoeding aan een pasgeboren prinsesje. “Zing eens een liedje voor het kind aan ’t tietje” plaagde de kroonprins haar. Ze bloosde maar zong zachtjes een Spaans kerstliedje.

Een van de andere jonge moeders speelde blindemannetje met een stoet van kleinkinderen, maar ze kon niemand vinden en liep wat verdwaasd rond te tasten met een wit servet voor haar ogen, iedereen liet haar maar wat dolen. Ze kwam terecht in een verlaten vleugel van het paleis en deed de blinddoek af. Ze was hier nog nooit geweest. De meubels waren afgedekt met witte lakens, er hingen grote schilderijen aan de muren die ze nog nooit had gezien, vreemde kleurige abstracte doeken, waarschijnlijk uit de collectie ven de Oudste Dochter waarvan niemand de waarde of de omvang kende.

Plotseling voelde ze iets langs haar benen strijken. Ze keek naar beneden en zag een egaal grijze poes die zachtjes miauwde. Ze had nog nooit een poes in het paleis gezien en vermoedde dat deze illegaal door het keukenpersoneel werd gehouden.

De poes liep naar de deur aan de ander kant van de zaal en miauwde opnieuw. De prinses liep er achteraan en opende de deur. Ze zeg een trappenhuis dat ze niet kende. De trappen leken eindeloos ver omhoog te gaan. Ergens halverwege liep een stokoude vrouw met een tiara in het dunne haar en gehuld in een bontmantel de trap af. Treedje voor treedje, heel behoedzaam zich vastpakkend aan de leuning. Zachtjes riep ze: “Cora, Cora, kom maar bij de vrouw”. Ze keek naar beneden. “Kom maar”.

De poes luisterde, keek omhoog en liep resoluut de vele trappen op. De oude vrouw en de poes verdwenen weer naar boven.

“Mam, kom je”, hoorde ze de kinderen in de verte roepen. Ze openden deuren, liep door de verlaten zalen en eindelijk zag ze weer de kinderen die blij waren dat ze er weer was. Ze hadden hun rollerskates hadden afgedaan verveelden zich. “Kom je mam, we gaan een spelletje doen”. In de feestzaal was het warm, er brandden veel kaarsen. De Oudste Dochter schonk warme chocolademelk in en onderhield zich met haar mooie tweede zoon. De Muzikale Oom was achter de vleugel gekropen en speelde kerstliederen. De kleinkinderen moesten raden welk lied hij speelde, maar ze kenden er geen een. De prinses ging naar haar man, de jongste prins.

“Zeg eens eerlijk, woont hier boven nog ergens een oude vrouw?” “Hoezo”, vroeg de prins. “Ik heb haar gezien, op een trap naar boven”. “Je bent gek, lieverd, hier spookt hier echt niet. Er woont niemand in het paleis, al heel lang niet meer, al tientallen jaren niet meer. Kom we gaan iets leuks doen met de kinderen.” De prinses voelde zich duizelig worden en dacht even dat ze misschien weer zwanger was. Maar dat kon niet. Ze nam een glaasje water en zag met genoegen hoe haar man zich uitsloofde om het de kinderen naar de zin te maken. En weer zag ze het duidelijk voor zich: de poes die  langs haar benen streelde, de lege zalen, de deur naar het trappenhuis en daar halverwege de oude vrouw. Ze zou er met niemand over spreken.

Voor het raam van de zolderkamer zat de stokoude vorstin met de poes op schoot. Doodmoe was ze. De tocht naar boven had het uiterste gevergd van kaar krachten. Ze hoorde blije stemmen ver beneden bij het bordes, ze hoorde auto’s wegrijden over het grindpad. Ze viel langzaam in slaap.

Over Wllm Kalb

schrijver, lezer, docent - focus: taal, geschiedenis, fotografie, Duits(land), muziek en films uit de jaren '20 - '50
Dit bericht werd geplaatst in Feiten en meningen. Bookmark de permalink .

Een reactie op Mijn kerstverhaal – De stokoude koningin

  1. Wat een stemmig stukje, ademt een beetje Andersen.
    De allerbeste wensen voor de feestdagen en het nieuwe jaar van het Triumvieraat!

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s