Een hotel om niet meer weg te gaan – Sri Lanka 1981

Soms lopen dingen anders dan je gepland hebt. Je blijft langer op een plaats waar het aangenaam is. Je schema raakt weliswaar in de war, maar de verlokking  om te blijven is groter dan de dwang van het schema. Dat overkwam ons  op Sir Lanka. Het was begin jaren ‘80, nog voor de oorlog met de Tamil Tigers. Je kon je nog vrij makkelijk door het land begeven, alleen het uiterste noorden was gevaarlijk.
We maakten een tocht met vriendin Tjarda. Ze werkte aan een artikel, een goede reden om in contact te komen met heel veel verschillend mensen.

Na enkele dagen Colombo gingen we op stap in een oude Ford met chauffeur. Myliani was een ‘burgher’, een afstammeling van Nederlanders en Portugezen; hij was trots op die afkomst en het feit dat hij een christen was. Myliani was niet alleen chauffeur maar ook en uitstekende gids en bracht ons naar prachtige gebieden in het binnenland, zoals de hoogvlakte van Nuwara Eliya, een groene oase tussen ruige bergen, met een heerlijk klimaat.

Na een lange tocht door het binnenland kwamen we aan in Trincomalee aan de oostkust. Myliani loodste ons naar het Welcombe Hotel. Niet het meest chique hotel in de buurt, maar wel op de mooiste plek: op Orrs Hill, aan een diepe baai met een prachtig uitzicht.

Pas de volgende ochtend zagen we dat het hotel enigszins verwaarloosd was. Ooit had het gebouw gediend als hoofdkwartier van Britse troepen, sindsdien was er weinig veranderd. Maar het personeel deed zijn best, het ontbijt was stevig. We maakten kennis met de baas, een wat vreemde Duitser die Engels sprak met het accent van Dr. Strangelove. Hij was net gescheiden van zijn Srilankaanse vrouw en de zaken waren nog niet goed geregeld, vertelde hij ons meteen. We leerde ook andere gasten kennen die, naar we later hoorden, al weken in het hotel verbleven: vier Australische zakelieden die in een juridisch gevecht waren de plaatselijke suikerfabriek, een Italiaanse professor in gezelschap van een zeer jonge dame van wie wij vermoedden dat ze een van zijn studenten was en een ouder Brits echtpaar dat alleen maar sprak over wat er allemaal verloren was gegaan nadat de Britten waren vertrokken.

Gerhard, de baas, was zo blij eindelijk weer eens Duits te kunnen spreken dat hij aanbood voor ons een zeilboot te regelen om naar de eilanden voor de kust te varen. Dat hield wel in dat we nog een nacht in het hotel zouden blijven. Myliana vond dat geen enkele probleem. Hij had een goede kamer in de chauffeursverblijven en kon familieleden opzoeken in de stad.

We hadden een grote kamer die sterk rook naar de boenwas waarmee het parket werd gewreven, met een veranda. Een lichte zeebries zorgde voor een aangename temperatuur. Eindelijk tijd om de meegebrachte boeken te gaan lezen, om bij te slapen en de stad te verkennen. Trinco heeft niet erg veel te bieden, dus waren we gauw weer terug, het hotelterras was de mooiste plek in de wijde omgeving en het piepkleine zwembad  bood verkoeling op de heetste momenten van de dag.

De zeilboot vertoonde allerlei mankementen zodat de toch naar de eilanden werd afgeblazen, maar, zo zei Gerhard, mogen kon hij een motorboot regelen. Dat betekende nog een nacht in het Welcobe Hotel. Niemand had bezwaar.

Die avond arriveerde er nog een gast. Een jonge Amerikaanse antropoloog, die eindelijk vakantie had nadat hij een jaar in de binnenlanden van Nepal had gewerkt. Een beeldschone jongeman op wie we alle drie meteen verliefd werden. We nodigden hem uit bij ons aan tafel en genoten van een sober diner, deze keer met Duitse witte wijn, door Gerhard persoonlijk uitgezocht uit de grote wijnkelder, diep onder het hotel.

Natuurlijk ging Cheo mee de volgende dag met de motorboot. We belandden op een klein eiland met prachtige stranden, waar verder niemand was. Heerlijk zwemmen, zonnebaden, heel veel kletsen. De mand met proviand bevatte ook weer een fles witte wijn die smaakte naar warme limonade, maar licht beschonken begonnen we aan een siësta in de schaduw.

De avonden waren saai in het hotel, na het diner bleef iedereen nog lang op het terras hangen, er was maar één cassettebandje en we hadden al snel genoeg van alweer Jim Reeves Adios Amigo. Tjarda stelde voor dat we die avond een feest zouden organiseren. Gerhard vond het prima. We schoven tafels en stoelen aan de kant, versierden de hal met wat we ook maar konden vinden. We maakten van de receptie een echte bar en ritselden overal muziek vandaan. Opeens was iedereen er: de gasten natuurlijk, de obers, de kamermeisjes, de tuinman en zijn vrouw, Myliani en zijn familie uit de stad, Gerhard met een nieuwe vriendin en een neef die onduidelijke zaken deed.  De muziek schalde uit de krakende luidsprekers, de drank vloeide rijkelijk. We dansten tot ver na twaalf uur. Gerhard wist niet hoe hij ons moest bedanken, het was de mooiste avond sinds jaren in het Welcobe Hotel. En we moesten toch echt nog blijven tot het weekend en dan zaterdag weer een feest organiseren, dan waren er veel meer gasten.

De volgende ochtend, toen de hoofdpijn was weggezakt, overlegden we met Myliani. Hij liet de keus natuurlijk aan ons. Maar tegen tweeën hakten we de knoop door. We namen afscheid en vertrokken richting het zuiden. Beneden aan de weg stond een lifter: Cheo. Hij reisde ook de volgende dagen met ons mee.

Wordt vervolgd.

Over Wllm Kalb

schrijver, lezer, docent - focus: taal, geschiedenis, fotografie, Duits(land), muziek en films uit de jaren '20 - '50
Dit bericht werd geplaatst in Feiten en meningen en getagged met , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Een hotel om niet meer weg te gaan – Sri Lanka 1981

  1. Marja zegt:

    Mooie herinneringen.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s